De kruidenier van het dorp was ziek, doodziek. Hij zou niet meer beter worden. Hij vroeg om een perenijsje, en daarna om peren. Niet zomaar peren, hij moest en zou Conference-peren. Dat waren de lekkerste, de beste.
Zijn vrouw en kinderen zorgden voor aanvoer. De peren maakten hem niet beter, maar zorgden wel voor kortstondig geluk in zijn laatste dagen.

Hij vertrouwde zijn dochter toe dat hij in zijn portefeuille een knipseltje bewaarde, met daarop mooie woorden. Woorden die op zijn rouwkaart moesten komen, als het zijn tijd was.
Toen het zijn tijd was, vond de dochter het knipseltje in de portefeuille. Op de achterkant stond een advertentie voor Conference-peren.

